Steeds minder Brabanders te porren voor vrijwilligerswerk

Eindhovens dagblad (door Tom Vos) | zaterdag 23 januari 2010
Brabanders doen steeds minder vrijwilligerswerk. Veel mensen hebben moeite dit te combineren met werk en gezin. Vrijwilligerswerk wordt steeds vaker verricht door mensen die gepensioneerd zijn of juist geen betaalde baan hebben. Dat staat in de nieuwe, derde sociale monitor van het Brabantse kennisinstituut PON. Dit onderzoek naar sociale participatie in opdracht van de provincie Noord-Brabant wordt sinds 1999 eens in de vijf jaar gehouden en is uitgevoerd op basis van een representatieve steekproef onder 10.000 Brabanders.
31 procent van de Brabanders verricht vrijwilligerswerk in georganiseerd verband, dat is minder dan in 1999 (39 procent) en 2004 (36 procent). Wel ligt het huidige Brabantse percentage ongeveer op het landelijk gemiddelde. Mensen tussen de 50 en 74 jaar zijn het meest actief. Actieve Brabanders zijn vooral te vinden in of bij sportclubs, de zorg, de kerk en in mindere mate op scholen en in culturele verenigingen.
Opvallend is dat het aantal vrijwilligers op het platteland sinds 2004 sterk is afgenomen, terwijl grotere plaatsen en steden een minder sterke daling laten zien. Een mogelijke verklaring is dat de arbeidsparticipatie van vrouwen op het platteland is gestegen waardoor deze groep minder tijd over heeft voor vrijwilligerswerk. Duidelijk is dat de leefpatronen van stads- en plattelandsbewoners steeds meer gelijkenis met elkaar vertonen.
Hoewel Brabanders veel waarde hechten aan sociale contacten, is het aantal wekelijkse contacten met familie gedaald, van 62 procent in 2004 naar 56 procent in 2009. Gebrek aan tijd en te lange afstanden zetten frequente contacten onder druk. Mensen tussen de 30 en 49 jaar zien hun familie het meest, het gaat dan met name om gezinnen. Mensen zonder kinderen zien hun familie minder.
Ouderen zijn vaker ontevreden over hun sociale contacten dan jongere mensen. Hoewel frequente sociale contacten onder druk staan, blijven Brabanders voor elkaar zorgen. 8 procent van de Brabanders is mantelzorger, in 2004 was dit nog 6 procent. De meeste zorg wordt verstrekt aan ouders of schoonouders. Dat gebeurt vooral door vrouwen tussen 30 en 55 jaar. Wel zijn er in 2009 minder mensen die af en toe voor iemand zorgen, ook is de zorg aan niet-familieleden zoals buren en kennissen gedaald ten opzichte van 2004.
Het lidmaatschap van verenigingen blijft onverminderd groot. 74 procent van de Brabanders is actief lid van een hobby- of vrijetijdsvereniging en/of maatschappelijke organisatie. Een stijging van twee procent sinds 2004. Brabanders ontmoeten elkaar dus nog steeds graag in verenigingsverband, al is de stijging van het percentage lidmaatschappen vooral te danken aan de toename van individuele sportlidmaatschappen: sportscholen en fitnesscentra zijn sinds 2004 beduidend populairder geworden.
Brabanders hebben meer contacten in de buurt (59 procent) en ze zetten zich er ook actiever voor in. Deze ontwikkeling noemt het PON positief: kennelijk is de buurt herontdekt als ontmoetingsplaats. Maar de contacten in de buurt met mensen met een beperking, zoals doven of verstandelijk gehandicapten, zijn nog steeds beperkt.
De betrokkenheid bij de buurt is in dorpen nog altijd groter dan in steden. Toch zijn zowel dorpelingen als stedelingen even geïnteresseerd in zaken die in hun buurt spelen. Ook is het aantal mensen dat zich thuis voelt in de buurt gestegen ten opzichte van 2004, dit geldt zowel voor het platteland als de stad.
